Gonneke.

27 juni 1920. In een boerderijtje net over de Nederlandse grens wordt een meisje geboren. Alegonda. Gonneke. De oorlog die zich een goeie kilometer verder afspeelde, was nog niet zo lang voorbij en de vluchtelingen uit België trokken langzaam maar zeker terug de streep over om te zien dat er nog weinig over was van wat ze ooit thuis noemden. Op ‘Muldersvelde’, zoals je nog altijd op de gevel kan lezen, groeide ze op. Niet zeuren maar aanpakken. “Ge kent wel kloage, mer de koei melken zijneigen nie.”

Ze was twintig toen de Duitsers binnenvielen. Ze vertelde er wel eens over. Dat ze niks moest weten van die staalhelmen en als ze begroet werd met “Heil Hitler”, ze antwoordde met “Hij ligt er”. Maar ook vertelde ze het verhaal van die soldaat die een katje had doodgereden en kwam vragen of ze nog een poes hadden omdat “Das Mädchen” zo moest huilen. “Het waren allemaal maar jongens, die ook graag naar huis wilden.” Ze smokkelde fietsen, stof en boter en er zaten onderduikers in de kelder. Of ze bang was? Nooit. Ze was rad van tong, scherp van geest en liet zich nooit imponeren door welke autoriteit dan ook. De kapelaan, de veldwachter, de hoofdnon van school, ze was niet onder de indruk van hun gezag en kregen haar ongezouten mening.

Ze trouwde met de jongen met wie ze altijd vocht in de kleuterklas. Dieje Geldersen bok, zo noemde ze mijn opa. Ze hielden van elkaar, een lang leven lang. Samen kregen ze negen kinderen die ze allemaal leerde dat je nooit meer of minder bent dan een ander. Toen de Nederlandse regering de wet Mansholt aannam en het voor een keuterboertje niet meer leefbaar was, wilden ze emigreren. Canada. Frankrijk. Het werd Achel, niet zo ver van waar ze woonden. Dat vond ze ver genoeg. Met 9 kinderen en een hond in een Ford Zefir, trokken ze de grens over naar wat zij het paradijs noemde. Een huisje aan de bosrand met genoeg veld om aardbeien en asperges te telen.

Met haar hoofddoekje tegen wind en kou of tegen de brandende zon, tussen de boontjes, augurken of de rijen aardappels. Zo herinner ik me haar. Ze maakte koude thee of sterke koffie voor wie kwam helpen. Op zondag was het huis gevuld met kinderen, hun vrijers, de grote gevlekte Deense Dog die het bankstel inpalmde en de steeds grote wordende schaar aan kleinkinderen. Bij oma kon en mocht veel. Ze was niet van de knuffel-generatie, maar ze liet op haar manier zien hoeveel ze van ons hield. “Luste nog soep? Wilde wa drinken? Vat mer Fanta ut de koelkast.” Haar liefde zat in de worst die ze maakte, de rodekool met appeltjes. Ze zei nooit dat ze ons graag zag, maar met een blik en een aai over je bol, wist je genoeg.

Vandaag zou ze 99 geworden zijn en ik mis haar verschrikkelijk. Niemand zal vannacht om twaalf uur zeggen, “Zo, nou bende gij wir an de beurt mee verjaren. Merrige is t vlaai bij euw.” Ik mis haar humor die soms snoeihard en soms heerlijk absurd kon zijn. Ik mis haar zachte wangen en spekarmen. Ik mis hoe ze de kat op schoot en de hond aan haar voeten had en vertelde over ‘vruuger’. En hoe ze alles met een goed geformuleerde zin kon relativeren.

Lieve Oma, volgend jaar word je honderd en geef ik een geweldig feest voor je. We zullen walsen, linksom, zoals jij en opa dat konden. Er zal vlaai zijn en soep. maar nooit zo lekker als die van jou.

Like this article?

Share on facebook
Share on Facebook
Share on twitter
Share on Twitter
Share on linkedin
Share on Linkdin
Share on pinterest
Share on Pinterest

Leave a comment

Sluit Menu