Even niet.

Het is stil op straat. Nog nooit blonken de ramen zo massaal in de voorjaarszon. Zelfs de blauwe lucht is streeploos schoon. Geen vliegtuig, geen auto, maar wandelaars en af en toe een fiets. De tuintjes liggen er piekfijn bij en de stoepen zijn geveegd. Het getjilp van vroege vogels overstijgt het geluid van een vergeten wekker. Nee, we hoeven nog niet meteen uit de veren.

Het is een vreemde rust. Een ogenschijnlijke verstilling. Terwijl er in ieders hoofd van alles aan de hand is. We maken ongemakkelijke grappen om de afstand wat te verkleinen. Die onnatuurlijke anderhalve meter en de lichte smetvrees die ons plots bezighoudt, leken me tot voor kort nog zo overdreven en hysterisch. Nu schrob ik enthousiast mee, klap voor verpleegsters, blijf braaf in mijn kot, zet beren voor het raam en wandel af en toe mijn rondje om niet helemaal tegen de muur op te lopen. Ik laat me, net als iedereen, vrijwillig veroordelen tot huisarrest.

Eigenlijk had ik dit al maanden eerder kunnen schrijven. Toen de herfst kwam, stond mijn wereld al even stil. Ik werd gegrepen door dat andere virus, dat deze maatschappij eigenlijk al heel lang in zijn greep heeft. Een burn-out, een depressie, noem het hoe je het wil noemen, maar ik had een uitermate zwaar geval van de blues, één waar Muddy Waters een puntje aan kon zuigen. Ik zat thuis. En de wereld waarin ik rondrende, moest het maar even stellen zonder mij. En wat ging ik doen? Precies wat u nu doet. Tuintje opknappen, muurtje verven, heel erg hard maar van alles doen! om maar vooral niet helemaal stil te vallen. Daarna kwam het besef dat dat stilstaan nu precies de oplossing was om verder te kunnen gaan.

Ik ben geen stilzitter. Ik moet wat doen. En uitgerekend ik moest dus leren vertragen. Moet. Want ik ben er nog niet. Het leren vertragen, is zoals vragen aan Vanderpoel op een fiets met houten banden te stappen. Op klompen. Of aan een Chihuahua om stil te blijven als de bel gaat. Dat. Gaat. Niet. Dat voelt heel tegennatuurlijk en het vergt heel wat om eindelijk de plek in je hoofd te vinden waar het Doen er niet toe doet. Waar alleen maar Zijn al meer dan voldoende is. Ik moest leren genoegen te nemen met ‘voldoende’. Dat genoeg soms al teveel is. En dat ‘teveel’ consequenties met zich meebrengt. Minder Doen om meer te Zijn.

Nu de hele wereld plots vrijwillig of verplicht thuis zit, zie ik hoe mijn worsteling met het doen en het zijn helemaal niet zo raar blijkt. We proberen elkaar maar voortdurend ‘bezig’ te houden. Iets doen. Vooral niet stil vallen. Maar nu ik zo naar buiten kijk, door heldere vensters naar een ongeschonden hemel en luister naar hoe het voorjaar ontwaakt, begrijp ik dat deze tijdelijke stilstand een voorbode kan zijn van een beter bestaan. Van begrijpen wat belangrijk is. Van bewuster om te gaan met de dingen, elkaar en onszelf. Een kans. Maar een kans die we wel met beide handen moeten grijpen. Niet graaiend maar met zachte hand, zoals je een paaskuikentje vasthoudt.

De lockdown kan misschien nog weken duren. Ik ken het proces al een beetje. Er zal frustratie komen. Boosheid ook. Eenzaamheid. Besef en stil verdriet. Maar ik voel dat u het ook voelt. We komen hier uit. Sterker. Beter. Wijzer.

Like this article?

Share on facebook
Share on Facebook
Share on twitter
Share on Twitter
Share on linkedin
Share on Linkdin
Share on pinterest
Share on Pinterest

Leave a comment

Sluit Menu