Brief aan Congo

Beste Congo,

We hebben elkaar nooit in levenden lijve ontmoet, maar toch voel ik een diepe verbondenheid met je. Noem het een gekoesterde droom. Noem het een stil verlangen. Noem het voor mijn part een hang naar exotisme.

Ik heb je altijd bewonderd, maar heb nooit de stap gezet om je bezoeken. Het spijt me.

Ik ken je enkel van achter glas. Als klein meisje mocht  ik met mijn oom mee naar het Afrikamuseum in Tervuren. Ik vergaapte me aan je maskers, jespijkerbeelden en de gigantische olifant die me met droevige, dode ogenaankeek. Met mijn neus tegen de vitrine, bestudeerde ik de prenten van vrouwen met kunstige kapsels en kleurrijke kitenge. Ik staarde met open mond naar de foto van een slang met een dikke bult in zijn buik, waar naar verluid een heel mens in zat. In een hap opgegeten. Het deed me denken aan de eerste tekening van De Kleine Prins.

Iets in mij werd betoverd. Begoocheld. Ik wilde naar Afrika! Ik zag mezelf op die grote prauw over je magische rivier glijden, danste in mijn kinderlijke fantasie mee met zo’n enorm masker. Alles aan jou vond ik bijzonder. 

Ik ken je van de verhalen van iemands ‘tante nonneke’ die in Lubumbashiwoonde. Hun huis was bezaaid met beelden, trommels, foto’s van een lachende, smetteloze non te midden van kinderen in kaki uniformpjes. Ik wilde ook missionaris worden, al ik had geen idee wat dat betekende. Maar het klonk als iets nobels. En als de enige manier om naar jou toe te komen. 

We aten ons bord braaf leeg, verzamelden wikkeltjes van chocoladerepen voor de kindertjes in Afrika en stopte soms een centje in het knikkende poppetje ‘voor de missie’. Wisten wij veel. 

Nee. We wisten niet veel. Op school vertelden ze nooit wat over jou. Ja, dat je ooit ‘van ons’ was en onafhankelijk werd in 1960. ‘Van ons’. Het zinderde na in mijn hoofd. Een land ver, ver van hier. Hoe kan dat ‘van ons’ zijn. Koning Leopold II had de slavernij verdreven en jouw ontwikkeld. Zo leerden we het en niemand stak zijn vinger op. De duizend vragen die ik had, bleven onbeantwoord. Wat betekende koloniaal? En wie was Lumumba? Waarom was hij gedood? Wat was er voor de Belgen er waren? 

Er was geen google of Karrewiet. Er was alleen mijn Nederlandse moeder, die me niet veel kon vertellen over Congo. Wel over Indonesië en Suriname. Ik begreep nog steeds niet hoe een land een ander land kon bezitten. Was het dan zoiets als Duitsland dat bij ons binnenviel? Waren wij dan niet, ‘de goeien’? 

Ik zocht je op in een oude atlas. Mijn vingers gleden over de kaart. Kinshasa (Leopoldville). Kisangani (Stanleyville). De naam Kongo was vervangen door Zaïre. Maar waarom precies, kon niemand me vertellen. Als we iets van je zagen, waren uitzinnig dansende mensen rondom een staatshoofd met een grappig hoedje. Als de reporter van het BRT-journaal op geaffecteerde toon verslag uitbracht vanuit Kinshasa, keek ik naar het stoffige straatbeeld achter hem. De groene heuvels in de verte. De prachtige mensen die zich achter hem verdrongen, alsof ze net zo nieuwsgierig waren naar mij als ik naar hen. 

Mijn beeld van jou was vaag en troebel als je rivier. Het spijt me.

Ik ken je vanuit de boeken. Ik ging Afrikaanse talen en culturen studeren. Cilubà en Kiswahili. De droom om ooit naar Afrika te gaan was nog niet vervlogen. Niet meer als missionaris, dat niet. Samen met je prachtige talen, leerde ik de schandvlek van ons verleden kennen. De geschiedenis die we meedragen, wij. Het verbaasde mij dat ik daar zo weinig over wist. Ik schaamde me ervoor. Voor de misdaden die ik tot dan toe niet had gezien, niet had willen zien. Voor het stuk geschiedenis dat ik als kind misschien zelfs als een glorieus verleden had willen geloven. Het historisch besef van wat mijn voorouders jouw voorouders aandeden, vermoordde mijn kinderlijke onschuld. 

Ondertussen rommelde het in je buik. De oude haan werd verdreven en er woeien nieuwe winden. Ik durfde niet naar je toe, uit schaamte en angst dat ik niet welkom zou zijn.

Ik ontmoette steeds meer van je mensen, op straat of in de trein. Verbaasd trokken hun wenkbrauwen op als ik ze in zangerig Cilubà aansprak.  “Mwoyiau”… Mijn hart is het jouwe. 

Die simpele begroeting heeft meer dan eens het koude Belgische ijs gebroken. 

Ik kreeg zelfs een mooie Afrikaanse naam toegewezen, Ndelela, ‘zij die leven geeft’. Ik leerde je gerechten, je bier, je muziek en je klaterende schaterlachkennen in de regenachtige straten van Matonge. Een nat en koud substituut.

Net als jouw rivier, stroomt het leven zoals het wil. Soms tergend traag, soms wild en kolkend, soms staat ze droog in haar bedding. Ik kwam niet naar je toe. Mijn rivier koos een andere weg. 

Ik ken niet de geur van je wouden, niet de werkelijke kleuren van je heuvels, niet het gonzen van je steden. Ik ken je dagelijkse realiteit en je zorgen niet. Het duister van je nachten en de hitte van je dagen, voel ik enkel nog in mijn vervlogen dromen. Het spijt me. 

Ik wil het goed maken, Congo. Door ons verhaal door te geven aan mijn kinderen. Door niet ze de verbloemde  geschiedenis te vertellen die ik leerde.Door te spreken over jouw schoonheid, jouw rijkdom, jouw veerkracht. Ik wil mijn naam eer aandoen en leven geven aan een nieuwe generatie.

Op een dag zal ik naar je toe komen, je omarmen, je recht in de ogen kijken en zeggen dat het me spijt. 

Op die dag zullen we elkaar echt begroeten. “Mwoyi au”…mijn hart is het jouwe. 

Like this article?

Share on facebook
Share on Facebook
Share on twitter
Share on Twitter
Share on linkedin
Share on Linkdin
Share on pinterest
Share on Pinterest

Leave a comment

Sluit Menu