Cafe Terminus

Er loopt een vrouw op straat. Eenzaam en weggedoken in haar jas. Haar hakken tikken op de natte stoeptegels. Haar grijze lokken deinen mee op het ritme van haar stappen. Ze haalt haar neus op, die verdomde kou ook. Ze vertraagt haar pas als ze langs het beslagen raam van een bruine kroeg komt. Binnen ziet ze iemand die haar wenkt. Ze twijfelt. Ze zou beter naar bed gaan, met haar hoofd weggedoken onder haar donsdeken. Nog eentje dan. Ze opent de deur van het café. Die klemt een beetje. Binnen ruikt het naar een mengeling van koude koffie, lauw bier en de ocean breeze van de toiletverfrisser.

Het is er dampig en warm. Ze zet zich naast de andere vrouw aan de bar. Ze kennen elkaar vaag, maar treffen elkaar zo af en toe in dit kroegje in Brussel. Café Terminus.

“Zware dag?” De vrouw knikt. “Vreselijk. Als ze nou eens duidelijk zouden zeggen wat ze willen dat ik doe!” De andere vrouw schudt haar blonde hoofd. “Ja, dat ken ik. Als ze met duizenden door elkaar gaan schreeuwen, dan versta je ze niet meer.”

Ze bestellen een gin tonic en een pintje. Ze zwijgen even en staren voor zich uit. “Ze willen ons niet meer, Joke. Terwijl we toch…” Er wellen tranen op in haar grijsblauwe ogen. Ze denkt aan de tijd dat ze vol ambitie en een tas vol grote plannen begon aan haar loopbaan. Ze zou haar land gaan leiden. De wereld beter maken. De wil van het volk respecteren. Maar nu… ” Vertel mij wat, Theresa.” zucht de andere vrouw. “Het is ook nooit goed, wat we ook doen.  Het lijkt wel een grote samenzwering.” De barman legt de viltjes klaar. “De laatste, dames.”

Joke haalt haar schouders op. “Misschien hebben we het ook wel een beetje verknald. Misschien…” Beide vrouwen zuchten en nippen van hun drankje. Zo zitten ze nog een tijd samen zwijgzaam naast elkaar. Elk met hun eigen hoofd vol zorgen.

“Wat als we nu eens gewoon vertrekken?” zegt Theresa zacht. “Gewoon onze biezen pakken naar…”  In Joke’s gedachte draait een globe rond, zo een met een lampje. Ze prikt denkbeeldig met haar vinger een plaats. De Marianentrog. Veel dieper kan je niet zinken.

Zwijgend zitten ze naast elkaar, tot de barman de glazen begint af te ruimen en roept, “Dames, het is nu echt de hoogste tijd om op te stappen.”

Ze hebben hem niet gehoord.

De lichten gaan uit. De wereld wordt wakker. De eerste tram stopt en braakt een lange rij studenten uit. Het is donderdag.

Aäron

Mijn moeder heeft me vaak verteld over de dag dat ik geboren werd. Veertien dagen te laat. De nonnetjes in het moederhuis moesten me komen halen. Elke verjaardag weer vertelt ze dat ik zo’n mooi baby’tje was.  “Maar lelijk opgedroogd,” lach ik er altijd maar achteraan.

Vandaag weet ik precies weer waar ik was, exact tien jaar geleden. Net als  mijn mama kan ik me tot in detail herinneren hoe het ging. Moeder worden. Na een hele lange nacht en een dag en dan nog een nacht. Na dertig uur sterven en herrijzen, hield ik voor het eerst mijn kind in mijn armen. “Wat een mooie,” fluisterde ik hem toe.

Tien. Jaar. Knip. Van een piepkleine mini-mij naar een boom van een kerel. Van de eerste woordjes (Sri Lanka!) naar een hele verhalen over  wereldproblemen. Van stappe-stappe achter de blokkenkar naar zijn eerste betoging voor het klimaat. Wat een prachtige, lieve, warme, grappige, mooie, hartelijke, zachtaardige, slimme, … hoeveel adjectieven zouden nodig zijn om dat unieke karakter te vatten.

Tien. Jaar. Knip. En ik? Van een licht hysterische, over-beschermende kloek naar een….nog steeds?  Inmiddels ben ik ook gegroeid in mijn rol als moeder. Rol als moeder? Dat klinkt een beetje raar. Alsof ik een rol vervul. Moedertje speel. Terwijl ik nergens zo mezelf kan zijn als bij mijn mannen.

Tien jaar moeder zijn verandert je. De rimpels en wat grijze plukjes zijn met een beetje hulp van Mevrouw L’Oréal nog wel weg te werken. De enorme explosie van liefde, maar ook de zorgen en korte nachten, die transformeren je tot iemand die je daarvoor niet was. De leeuwin als er iemand aan hen komt. De oerkracht als ze om kwart voor zes ’s ochtends een kleerkast omver trekken. De zachte, troostende armen als ze vallen.

Ik zal nooit meer dezelfde zijn. In de eerste jaren van het moederschap, als je nog wat moet oefenen om alle ballen hoog te houden, dacht ik dat ik mijn oude zelf voor altijd kwijt was. Nu weet ik dat ik nog besta. In een betere, rijkere, zorgzamere versie van mezelf. Want sinds die koude februari-ochtend leef ik niet meer alleen voor mezelf, maar twee keer zo hard voor jou, zoon.

Lieve Aäron, ik zou willen dat ik kon uitdrukken hoeveel ik van je hou. Hoe mijn hart een salto maakt als ik een knuffel van je krijg. Hoe eindeloos trots ik op je ben om wie je bent en op wie je worden zal. Mijn grote beer, mijn stoere lieveling. Alle woorden die ik kan verzinnen, schieten zwaar tekort om de diepte van mijn liefde voor jou uit te drukken.

Laat ik het je dan niet zeggen, maar voelen. Elke dag. En vandaag, op jouw tiende verjaardag, nog net een beetje extra.

 

Zeventien.

Waar was jij toen je zeventien was? Wat deed en dacht je toen? Was je enkel een kolkende hormonenpoel op pootjes? Stond je stiekem te roken achter het bushokje?Ging je braaf naar school en kwam je thuis met een prachtige rapport?

Wie was jij in die laatste jaren van je kindertijd? Bijna volwassen maar nog vol vuur? Was je je een beetje bewust van wat er in de wereld speelde? En deed je daar wat aan?

Ik ben zo trots op deze jeugd. Zie ze gaan! Ze laten zich horen! Ze willen het anders, beter, schoner, gelijker, groener! En gelijk hebben ze. Ondanks de zure adem van het schoolreglement in hun nek en het opgestoken vingertje van de minister, gaan ze door. Steeds massaler. Tot er iets verandert. En veranderen zal het.  Ze gaan ervoor, gesterkt door duizenden virtuele duimpjes en hartjes, beslagen met kartonnen slogans en gewapend met de wetenschap dat dit belangrijk genoeg is om voor te vechten.

Toen ik zeventien was, begin jaren negentig, werd Nelson Mandela vrij gelaten en apartheid afgeschaft, na jarenlang verzet. De Muur was gevallen, na een dolle actie van een paar jongeren die zich als een olievlek uitbreidde. Het knuppelen van zeehondjes werd verboden.   Ik was zeventien en schreeuwde me schor, met zo’n t-shirtje, “No time to waste!”. Het gat in de ozonlaag moest dicht. Sindsdien zitten er geen CFK’s meer in spuitbussen. Benzine was ooit niet loodvrij.

We waren bijna vergeten dat al dat protest echt iets uit kan halen. We hebben leningen en verzekeringen te betalen.  We hebben jobs waar we niet gemist kunnen worden. Verantwoordelijkheden. Kinderen om op te voeden. Zijn wij het establishment geworden waar we tegenin zwommen toen we zeventien waren?

Lieve Anunas van deze wereld, blijf aan de boom schudden. Geef niet op als de dreigementen komen, de spotprenten, de waterkanonnen. Ga door, ook als het sneeuwt en regent. Je zal gehoord worden. Op een dag zul je misschien zelf kinderen hebben en ze zullen jou vragen wie jij was toen je zeventien was… Wat zul jij dan met trots kunnen vertellen dat je toen de wereld hebt gered.

Verknalvergunning.

De kerstboom staat kaal en bijna naaldloos op mijn stoep. Bijna een maand lang brandden de felgekleurde lampjes en nu mogen ze -zonder ze fatsoenlijk op te rollen- terug de doos in. Volgend jaar zal ik me deze slordigheid ongetwijfeld weer beklagen en uit frustratie maar wéér nieuwe gaan kopen. Sommige gewoontes sterven nooit, hoe dom of onpraktisch ze ook zijn.

Ik besloot dit jaar voor de verandering er eens geen goede voornemens erop na te houden. Misschien lukt het dan wel om wat af te vallen en me te verlossen van alle andere slechte gebruiken. Een andere strategie. Of beter nog, helemaal geen strategie. Dat is het planloze plan voor het nieuwe jaar. Ik had mezelf natuurlijk van alles kunnen beloven. Meer schrijven, minder facebook. Meer sporten, minder koffie. Maar u en ik weten heus wel dat we doorgaans de ruggengraat van een naaktslak hebben en dat er na een week of twee niets overblijft behalve schuldgevoel en de bittere nasmaak van het falen.

Toen de eerste kater van het jaar werd weggespoeld met nog meer cava en de naar oliebol smakende kussen uitgedeeld werden, bedacht ik dat we elkaar steeds hetzelfde wensen. Gezondheid, liefde, geluk…en dat we nog veel mogen mogen. Ook daarin zijn we niet standvastig, want over een goeie veertien dagen zullen we elkaar de huid weer vol schelden. In realiteit, virtueel of in gedachte. Dan mag er weer vrolijk gekafferd worden op andere meningen en mekkeren we onverminderd voort over kleine en grote misstanden. We zeuren om ter hardst over het weer, de politiek, ons lief.. Dan ver-wensen we elkaar weer als vanouds.

Misschien moeten we elkaar eens niets wensen, maar tegoedbonnen uitdelen. A licence to screw up. Verknalvergunningen.

Goed voor één lullige opmerking, bedoeld of onbedoeld. Eén uur gratis zagen over een onderwerp naar keuze. Een strippenkaart voor onopgeruimde schoenen, tandpastadopjes, lege drankverpakkingen in de koelkast of al die andere irritante gewoontes. En een paar voor alle loze beloftes aan jezelf of aan de wereld.

Zonder verwijten, irritatie of ruzie kun je dan ongestraft mislukken. Je hoeft ook niet meer boos te worden maar slechts minzaam glimlachend je hoofd te schudden terwijl je de tegoedbon in ontvangst neemt. Als je dan halfweg mei door je bonnen heen zit, moet je misschien echt eens aan jezelf gaan sleutelen.

Ik wens je een zacht jaar. Met veel hart en weinig hard. En dat we een beetje lief blijven voor onszelf en elkaar. Dat wens ik niet…dat beloof ik. Ik heb nog wel een bon of twee voor als het even niet lukt.

Paris.

“Paris, sera toujours Paris.”  De zalige, schorre stem van Zaz klinkt al dagenlang door mijn hoofd. “La plus belle ville du monde”, zing ik met haar mee. Mijn man had een geweldig plan. Vier dagen met jongens door de metropool zwerven? Lijk je dat wat?

Ik ben dol op Parijs. “Malgré, l’obscurité profonde”, voegt de Franse chansonnière er nog aan toe. Ondanks alle grootstedelijke rouwrandjes, is en blijft het een van de meest bruisende plekken op aarde. De oogverblindende paleizen en musea, de cafeetjes, de geuren en kleuren van over de hele wereld… je hoeft me geen twee keer te vragen of ik mee ga.

Voor mijn jongens is het de eerste keer dat ze hier zijn. “Is dit nou het paleis van de Zonnekoning, mam?” vraagt mijn oudste zoon, met zijn neus tegen het raam geplakt. “Nee, lieverd, dat zijn nog maar de paardenstallen. Kijk maar eens even aan die kant.” Zijn mond valt open van verbazing bij alle pracht en praal die ‘Lodewijk numero 14’ bij elkaar liet knutselen.

Nog meer dan van La Grande Dame De Fer  zelve, geniet ik van hun gezichtjes als we bij Bir-Hakeim uit de metro stappen en plots oog in oog staan met de Eiffeltoren. “Vet!”roepen ze in koor. “Mogen we erop?” Ze beklimmen de stalen trappen, hoger en hoger. De omvang van de Lichtstad begint tot hen door te dringen. Onder hen slingert de Seine zich in een bocht door de stad.  De gouden koepel van Les Invalides schittert in de laatste herfstzon. Als we s’avonds nog even langs Les Champs de Mars lopen, hebben we hen nog niet verteld wat hen na zonsondergang te wachten staat. Klokslag acht uur gaan alle lichtjes flikkeren en dansen ze als wilde aapjes in het rond. “Mega super vet!!!”

Op de metro worden ze ook met de andere kant van de stad geconfronteerd. Veel zwervers zie je niet in ons landelijke dorp en mijn oudste zoon zou ze allemaal het liefst al zijn zakgeld willen geven. Ik moet met enige schaamte uitleggen dat het nu eenmaal bij een grote stad hoort. Als een man met gescheurde kleren en lange baard langs ons loopt, ziet hij hoe alle mensen wegkijken of in hun mobiel duiken. Met tandloze mond schreeuwt hij door de propvolle coupé, “J’ai mal au coeur.” Mijn kleine man wil weten wat hij zegt. “Hij heeft pijn aan zijn hart, jongen. Die meneer is een beetje in de war en hij woont op straat.” Ik zie hoe hij worstelt met het contrast tussen de weelde en de goot. Het doet ook een beetje pijn aan zijn hart. En aan het mijne…

Paris sera toujours Paris…

Sweet sixteen.

Ik weet nog precies waar ik was die dag. En hoe trots ik me voelde. De hele wereld mocht het weten, IK BEN TANTE!!!! Van gewoon ‘zomaar Claus’, werd ik iemands Tante Claus. En wel van een beeldschoon, klein, blond kereltje met grote blauwe ogen. Mauro. Ik had zijn naam al geopperd nog ver voor hij ter wereld kwam. Daar was ie dan.

Hij groeide snel. Veel te snel naar mijn gevoel. Eerst was hij nog een heerlijk onschuldig ventje met een rond blozend bolletje. Een voetballertje met een te groot groen-wit shirt. En vandaag rijdt hij met zijn zelf gespaarde brommer naar school. Zo snel gaat dat. Zestien jaar lijken op een vingerknip…twee keer met je ogen knipperen.

Als je zelf zestien bent, kan de tijd niet snel genoeg gaan. Halsreikend kijk je uit naar het moment dat je 18 wordt, 21, afgestudeerd, je eerste baan… Iedereen zegt wel dat het leven snel gaat, maar de dagen rijgen zich met een vast tempo aan elkaar. Het tikken van de klok blijft constant en toch lijkt een dag, week, maand, jaar, zomaar ongemerkt te zijn voorbij gegleden. Zestien jaar alweer. Ik krab even achter mijn oren. Ik ben dus ook zestien jaar ouder dan toen…Ook ik ben gegroeid. Van onbezorgde losbol en flierefluiter naar gelukkig getrouwd en moeder van twee flinke zonen.

Mauro is inmiddels een kop groter dan ik, met brede stoere schouders maar met dezelfde prachtige, zachtaardige, blauwe kijkers. Met een fantastisch, lief karakter waar je als tante steeds weer voor smelt. Vol trots stuurt hij me een foto van zijn nieuwe brommer. Een blinkend rood-wit knettermachien. En ik hou mijn hart vast. “Doe voorzichtig”, druk ik hem tot vervelens toe op het hart.

Hij lacht en steekt een virtueel duimpje omhoog. “Maak je niet druk, tante Claus, je kent me toch.” Ja, jongen, dat is ook zo. Ik ken je. En ik ben nog steeds trots dat ik je tante Claus ben.

Hoe zoet kan zestien zijn.

 

 

 

Verliezingen

Verkiezingen hebben altijd iets van oudjaarsavond. Er worden met veel bravoure allerlei goede voornemens gemaakt, onvoorwaardelijke beloftes gedaan en onfeilbare standpunten ingenomen. Samen! Anders! Beter! Meer! Voor iedereen!

Naarmate het uur dichter bij de waarheid komt worden er halfzatte liefdes- of oorlogsverklaringen afgevuurd. Voor U! Tegen hen! Samen! Ja!

Dan slaat de klok twaalf. Iedereen juicht, kust en bedankt iedereen hartstochtelijk. Wij! Hoera! Champagne! Wij gaan het waarmaken. Echt waar. Echt…

Ergens in een hoekje zit iemand een verschraald biertje weg te bijten. Niet iedereen is gelukkig, maar kom, we zullen doorgaan. Ergens op de achtergrond klinkt Ramses Shaffy.

Dan wordt het langzaamaan licht. Met kleine oogjes en een beginnende kater sluipt de twijfel binnen of die beloftes niet een beetje hoog gegrepen zijn. Of er echt geen compromis te bedisselen valt tussen stoppen met roken en vijftien kilo afvallen.

In het ergste geval word je wakker naast een wildvreemde of totaal incompetente bedgenoot. Moet je daar dan de komende zes jaar naast liggen? Samen! Ja! Vooruit dan maar…

En dan zijn er nog die anderen, die stilletjes van het feestje afdruipen. Een tikkeltje gekrenkt maar vastberaden om op het volgende partijtje te scoren.

Dan wordt het 3 januari, en 4, 5… De beloftes worden gereduceerd tot het laten van het koekje bij de koffie, een paar trekjes van een gebietst peukje. Tegen half februari is alles weer bij het oude.

De verliezers hebben hun abonnement bij de sportschool inmiddels verlengd en zullen fitter, sterker, gezonder terugkomen. Dat verschraalde biertje smaakte toch al naar niks. Op weg naar de gym fluiten ze, “We zullen dooorgaaan. Tot we samen zijn.”

 

 

 

 

 

 

 

Oppassen.

Net als de rest van de wereld bekeek ik met ongeloof het filmpje van dat gezin dat uit de auto stapt in de Beekse Bergen. De commentaren op de video logen er ook niet om. “Wat een domme sukkels!” riepen we in koor. Maar weinig mensen hadden kritiek op de makers van het filmpje die wel bewust waren van het gevaar, maar liever niet hun medemens wezen op de risico’s van het knuffelen van jachtluipaarden. Nee, stel je voor! Zomaar de kans op een youtube-hit laten liggen…

Zelf ben ik twee keer in de grote Afrikaanse dierentuin geweest. Een safari is een bijzondere ervaring die niet vrij van gevaren is, ook al blijf je netjes op het pad. Ik heb een Amerikaanse vrouw aangevallen zien worden door visarenden omdat ze dacht dat je ze best mocht voeren en ben zelf eens beroofd door wilde bavianen. Domme mzungu!  Ik weet dus uit ervaring dat wilde dieren echt wild kunnen zijn en moet zeggen dat de cheetah’s in de Beekse Bergen zich als afgetrainde circusbeestjes gedroegen. Don’t eat the people, stond er op het bordje bij hun buitenhok. Ze hielden zich gelukkig wel aan de regels.

Wat is er toch met ons? En dan bedoel ik niet zozeer met die mensen die menen dat de regels niet voor hen gelden, maar met de rest die er rond staat met een telefoon in de hand, wachtend tot het echt mis gaat. Passen we niet meer op elkaar?

Ik ben daar misschien wel ver in doorgeslagen. Als ik iemand met losse veters op een roltrap zie staan, zeg ik er iets van. Omdat ik ooit echt vast heb gezeten en er een blauwe voet aan overhield. Laatst reed een oudere man met een losse snelbinder op zijn elektrische fiets me keihard voorbij. Ik heb hem nageroepen en ben erachteraan gefietst als een halve Cancellara om hem erop te attenderen. Hij keek me eerst verontwaardigd aan. “Mens, waar bemoei je je mee.” Maar toen hij inzag dat het echt gevaarlijk was, heeft ie hem toch maar even vastgemaakt. Ik loop liever het risico om als bemoeizieke trut te worden bestempeld dan dat ik een oude man van het fietspad moet dweilen.

We zijn kuddedieren. Maar anders dan gnoes of zebra’s staren we liever naar een schermpje dan dat we op elkaar passen. Waarom dat zo is? Wat is het gevaar om iemand te beschermen tegen zijn eigen domme fouten?

Zoals ik al zei, ik ben daar misschien wel in doorgeslagen. Ik zie overal beren (of cheetah’s) op de weg. Als ik een euro kreeg voor iedere “Pas Op!” was ik nu ongetwijfeld al multimiljonair. Mijn kinderen zullen het me op een dag vast en zeker aanwrijven. Maar ik kan en wil niet lijdzaam afwachten tot het mis gaat. En al helemaal niet met een camera in de hand.

Ik hoop ook dat ik behoed word als ik op het punt sta iets doms te doen. Trekt u me maar gerust aan de mouw als ik van het perron dreig te vallen of in een vlaag van verstandsverbijstering een cheetah wil knuffelen.

Een engelbewaarder kan maar beter van vlees en bloed zijn.

#metoo

Een heerlijke nazomerdag, de armen mogen bloot en de ramen mogen open. Ze loopt gewoon over straat, zoals elke dag naar school en giechelt wat met vriendinnen. Er komt een auto langs. Een jongen hangt uit het zijraam en roept,”Hé, schatje, wil je me pijpen?” De drie anderen in de auto joelen het uit als wilde chimpansees.

Een gezellig terrasje. De sfeer zit er lekker in bij een groep luidruchtige mannen in maatpakken. Ze hebben iets te vieren! “Meisje, breng nog eens iets te drinken en neem er zelf ook een.” Als ze met een vol plateau aankomt, grijpt een van hen haar bij haar bil en geeft haar een vette knipoog. Hij stopt een opgerold briefje van vijftig euro in haar decolleté. “Keep the change.”

Ze fietst van de universiteit naar huis. Al de hele weg wordt ze gevolgd door een man die op een meter of vijf achter haar rijdt. Het schemert en de straatverlichting is kapot. De straat is opgebroken en ligt vol rioleringsbuizen. Ze moet afstappen. De man nadert en kijkt haar indringend aan. Ze wordt bang en doet wat ze nooit gedacht had te moeten doen. Ze rent het groezelige oudemannetjescafé in, waar het ’s morgens altijd stinkt naar asbak, pis en verschraald bier. De stamgasten, drie tandloze zuipers en een jongere man die aardig op weg is om net zo te worden, kijken verbaasd op vanaf de toog. “Een vrouwmens in hun grotto, dat is niet meer gebeurd sinds…ooit.” Ze stamelt en twijfelt of dit wel de juiste keuze was. “Sorry, heren, is er misschien iemand die mij wil helpen? Ik heb het gevoel dat ik door iemand gevolgd word.” De mannen lachen. “Ja, dat ken ik,” zegt de jongere man met doorrookt gerochel. Als hij begrijpt dat ze het echt niet vertrouwt, loopt even met haar mee. Niet te ver, gewoon de straat uit. Ze snelt naar haar kot, sluit de deur en laat het licht uit. Ze ziet door een spleetje in haar rolluiken hoe de rest van de avond het silhouet van die stalker rondjes fietst in haar straat.

Ja, #metoo. Net als zowat alle vrouwen en meisjes die ik ken, ben ik wel eens nageroepen, betast, geïntimideerd. Nee, gelukkig nooit meer dan dat. Hout vasthouden.

Het lijkt zo normaal gevonden te worden. Ach, ja, het gebeurt. Zelfs de machtigste man ter wereld schaamt zich niet om af en toe eens een ‘pussy te grabben’. Nu mag die man gelukkig niet tot standaard voor ‘de man’ genomen worden, ik ken kakkerlakken met meer moreel besef. Maar als je het er zo over hebt, lijkt het niets om meteen slachtofferhulp voor in te roepen. Ach, ja, het gebeurt. Elke dag. Overal. Bij (zo ongeveer) elke vrouw. Jouw zus. Jouw vriendin. Jou.

Nee, ik ga geen feministisch betoog houden over de onderdrukking van de vrouw. Ik heb het een beetje gehad met de slachtofferrol. Ik wil graag pleiten voor een ‘schaamverschuiving’. Laat die graaiers, grijpers, roepers en gluurders zich schamen!

En laat al die heerlijke, aardige, attente, echte kerels zich niet schamen om hen daarop wijzen! Laat er in dat groepje één van hen stoer genoeg zijn om tegen die bezopen hufter van een vriend te zeggen,”Hé, eikel, dat meisje zou je zusje kunnen zijn!” Of tegen die grijpgrage manager op het werk, “Meneer Vanderhuppelepup, ik geloof niet dat zij het op prijs stelt als u zo dicht achter haar staat bij het kopieerapparaat.”

Want, koene ridders, we hebben jullie hulp hard nodig. Sta op tegen de smeerlappen die jullie naam bezoedelen. Durf in te gaan tegen schunnige opmerkingen, onvrijwillige betastingen of intimiderend gedrag. Heb het lef op te treden tegen de hufters die ervoor zorgen dat vrouwen en meisjes niet alleen over straat durven.

Vecht voor ons. Zoals je dat zou doen als iemand aan jouw meisje kwam of aan jou. Want wij zijn je zus, je moeder, je dochter, je vriendin. We hebben jullie meer dan ooit nodig aan onze kant. #youtoo

 

 

 

Inez.

In de shoarmatent wacht ik op mijn bestelling en sla even een oude, beduimelde krant van een week of drie geleden open. Daarin vind ik een artikel over een man die na twintig jaar cel weer terug mag naar de bajes. Hij maakte zich schuldig aan moord en nadat hij zijn tijd had uitgezeten, is hij weer in de fout gegaan. Dikke tranen rollen ineens zomaar over mijn wangen.

De krant staat elke dag vol van deze artikels. Vol van gruwelijke details over de misdaad van twee decennia geleden. Waarom ik hier plots sta te janken boven mijn broodje shoarma?

Het slachtoffer was de moeder van mijn vriendin Naomi.

Naomi en ik kennen elkaar uit de tijd dat we zwaar puberend onze leerkrachten het leven zuur maakten en onze ouders stapelgek. Zij ging naar een andere school, we gingen studeren en raakten elkaar kwijt. Na jaren kwamen we elkaar weer tegen via Facebook, zoals dat tegenwoordig gaat. Echte vriendschappen hebben schijt aan ruimte en tijd. Het eerste wat Naomi me vertelde over de verloren jaren was wat er op die vreselijke novembernacht gebeurde. Het spijt me dat ik er niet voor haar was. Het spijt me dat ik in al mijn puberigheid niet meer aandacht heb besteed aan haar geweldige moeder.

Ineens staat Inez me glashelder voor de geest, in hun huis met een leefkuil. Het ronde raam en de leren bank met het imposante schilderij erboven, daarop zat zij. Haar roodbruine haar opgestoken, een losse, gehaakte trui rond haar tengere schouders. Ze was een danseres. Dat kon je zien aan de manier waarop ze bewoog. Gracieus. Mooi, zonder er iets voor te doen. Ze was kleiner dan ik maar straalde iets van grandeur uit. Charisma heet dat.

Ik zie ons weer op de meisjeskamer van mijn vriendinnetje. We werkten aan onze technische tekeningen. Ik haatte het vak en bakte er niks van, maar Naomi liet me geduldig en minutieus zien hoe het moest. Haar moeder bracht een kopje thee met iets lekkers erbij.

Ik zie haar op het verjaardagsfeestje in de tuin met hoge dennenbomen. Ze flaneert tussen het puisterige pubervolkje door en vult de bakjes met chips en wokkels bij. Ze wil zich onzichtbaar maken maar valt daardoor des te harder op.

Ik sta nog steeds in die shoarmatent mijn ogen te drogen met zo’n dun namaakservetje.Het helpt niet. De herinneringen blijven binnenstromen en de tranen naar buiten.

Ik wou dat ze geschreven hadden hoe mooi ze was. Hoe aardig en spontaan. Ik wou dat ze alle misselijkmakende details hadden weggelaten, al was het maar omdat er mensen zijn die haar gekend hebben en van haar hielden. Mensen die haar schoonheid willen herinneren.

Zou het niet beter zijn, beste journalisten, om de wereld te voeden met schoonheid en verhalen over compassie. Over kunst.  Over de wonderbaarlijke dingen die de mens tot het mooie wezen maken dat ze zou kunnen zijn? Over wat wel goed gaat?

Ik heb een tijd geleden al besloten om me wat af te zonderen van het nieuws omdat het me steeds zo vreselijk hard in het gezicht slaat. Vandaag weet ik ineens weer precies waarom.